Fosfaatrechten: opfokken en uitscharen

Er zijn inmiddels meerdere rechterlijke uitspraken ge­weest over voor wie de fosfaatrechten zijn bij ge­vallen van uitscharing of opfok van jongvee bij derden.

Zaak 1: uitscharen jongvee
In deze zaak schaarde een melkveehouder in 2015, 2016 en 2017 steeds tussen half mei en half oktober (vijf maanden) jongvee uit aan een andere veehouder (inschaarder). In 2015 ging het om 38 pinken. De uit­schaarder vorderde voor de rechtbank dat de in­schaar­der uiterlijk 28 maart 2018 moest meewerken aan de overdracht van de fosfaatrechten met betrek­king tot de 38 pinken middels het formulier ‘In- en uit­scharen’.

De rechter overwoog dat vaststond dat de pinken jaar­lijks ze­ven maanden bij de uitschaarder op stal ston­den. In beginsel moesten de fosfaatrechten in dezelf­de ver­houding als de perioden van houderschap tus­sen par­tijen verdeeld worden. De inschaarder moest daarom meewerken aan de overdracht van 7/12 deel van de 38 pinken via het hiervoor genoemde formulier.

Zaak 2: uitscharen jongvee
Een melkveehouder schaarde 25 pinken uit tussen mei en oktober 2015. Eind 2017 beëindigde hij zijn be­drijf in Nederland in verband met een voorgenomen emigratie naar Canada. Voor de rechtbank vorderde hij dat de inschaarder de fosfaatrechten met betrek­king tot de 25 uitgeschaarde runderen aan hem zou overdragen.

De voorzieningenrechter wees de vordering van de melkveehouder af. De inschaarder had onbetwist ge­steld dat hij door de inscharing van de pinken van de melkveehouder geen ander vee had kunnen laten wei­den. Met het afstaan van de fosfaatrechten zou hij be­na­deeld worden. Tevens had de inschaarder voldoen­de aannemelijk gemaakt dat hij weer zou gaan mel­ken.

Volgens de voorzieningenrechter was verder van be­lang dat het de melkveehouder slechts te doen was om de waarde van de rechten en niet om de rechten als zodanig. Door de gang van zaken werd hij niet be­lemmerd in zijn bedrijfsvoering in Nederland en de re­geling is er niet voor bedoeld om agrariërs anders­zins een geldelijk voordeel te verschaffen.

Zaak 3: opfok jongvee door derden
Een melkveehouder sloot in maart 2015 een overeen­komst af voor het opfokken van jongvee met een jong­vee-opfokker. De dieren bleven eigendom van de melk­veehouder, maar werden wel via het I&R-systeem op naam geschreven van de opfokker. Begin 2017 zeg­­­de de melkveehouder de overeenkomst op en haal­de hij de dieren weer op. De melkveehouder vroeg de opfokker mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ ten einde het aan hem toegekende aantal fosfaatrechten te laten verho­gen met de rechten voor de bij de opfokker gestalde dieren per 2 juli 2015. De opfokker weigerde dit.

De voorzieningenrechter van de rechtbank oordeelde dat de opfokker niet hoefde mee te werken aan de overdracht van de rechten. Het gedurende circa twee jaar opfokken van jongvee lijkt verder te gaan dan al­leen het in- en uitscharen van jongvee. Opfokkers heb­ben ook behoefte aan en recht op fosfaatrechten. Zonder rechten kan het opfokbedrijf niet bestaan. De melkveehouder was na afloop van de overeenkomst zijn jongvee niet zelf gaan opfokken, hij had daarvoor een ander gevonden. Hij had daarom de rechten van de opfokker niet nodig om zijn bedrijf en de omvang daarvan zoals die was op 2 juli 2015 te borgen. Hij wou zijn bedrijf met melkkoeien uitbreiden, maar dat verhoudt zich niet met de doelstelling van de wetge­ver.

Fosfaatrechten bij pacht
Voorlopig is het nog niet duidelijkheid voor wie de fos­faatrechten zijn bij pacht. Daarvoor zal een proefpro­ce­dure gevoerd worden. Een uitspraak door het ge­rechtshof is pas eind van dit jaar te verwachten, waar­na nog cassatie ingesteld kan worden bij de Hoge Raad.