Wie geeft de grond op?

Bij bepaalde gewassen is een ruime vruchtwisseling noodzakelijk, bijvoorbeeld aardappelen of bloembollen. Het komt regelmatig voor dat een landbouwer wordt benaderd door een teler van dergelijke gewassen om een perceel grond tijdelijk te verhuren. De vraag is dan wie de grond moet opgeven in de Gecombineerde opgave: de huurder of de verhuurder.

In de Gecombineerde opgave moeten de percelen opgeven worden die men op 15 mei van het betreffende jaar in gebruik heeft. De gebruiker is degene die de teel-technische beslissingen neemt en het gewasrisico loopt. Dit betekent meestal dat de teler/huurder de grond moet opgeven. Zeker als de verhuurder geen enkele ervaring heeft met de teelt van het gewas, is het niet aannemelijk dat deze de teel-technische beslissingen neemt en de feitelijke gebruiker van de grond is.

In de praktijk wordt echter regelmatig afgesproken dat toch de verhuurder de grond opgeeft in de Gecombineerde opgave, om de mestgebruiksruimte en/of het kunnen aanvragen van de uitbetaling van de betalingsrechten te behouden. Dit is echter niet zonder risico.

Wanneer de verhuurder de grond opgeeft terwijl deze niet de feitelijke gebruiker is van het perceel, kan dit leiden tot verschillende boetes en kortingen:
– boete voor het indienen van een foutieve Gecombineerde opgave;
– korting op de bedrijfstoeslag vanwege het schrappen van de grond en mogelijk zelfs een extra sanctie;
– korting op de vergroeningspremie doordat het bouwplan na het schrappen van de grond niet meer voldoet aan de vergroeningseisen;
– mestboete en randvoorwaardenkorting vanwege een overschrijding van de gebruiksnormen. De grond wordt namelijk geschrapt, terwijl de op het perceel aangewende meststoffen wel aan het bedrijf worden toegerekend.

Ook de feitelijke gebruiker van de grond, die de grond niet opgeeft in de Gecombineerde opgave, loopt risico’s:
– een boete voor het foutief indienen van de Gecombineerde opgave;
– een korting op de bedrijfstoeslag vanwege het niet opgeven van grond die wel feitelijk bij het bedrijf in gebruik is;
– een mestboete vanwege het toerekenen van de op het perceel aangewende meststoffen, terwijl hier geen verhoging van de gebruiksruimte tegenover staat.

De afspraken worden vaak vastgelegd in teeltcontracten. Bepaalde afspraken hieruit leveren zelfs het bewijs voor een (NVWA)controleur dat de verhuurder niet de feitelijke gebruiker is van de grond, zoals:
– er wordt afgesproken dat het teeltrisico geheel bij de huurder ligt;
– er wordt een vaste vergoeding per hectare betaald,
– ongeacht de daadwerkelijke gewasopbrengst en marktprijs;
– er is bepaald dat de huurder alle beslissingen neemt.

Wanneer men de gebruiker is van het perceel en het gewas dus voor eigen risico teelt, zal dit ook moeten blijken uit de facturering en betaling van uitgevoerde werkzaamheden door derden of de huurder.

Het is veiliger om de grond gedurende de teeltperiode te verpachten middels een geliberaliseerde pacht­over­eenkomst. Men kan dan ook afspreken dat de beta­lingsrechten gedurende deze periode verhuurd wor­den, maar dat de uitbetaling doorbetaald moet worden aan de verhuurder. Verder kan worden afgesproken dat de verhuurder wel mest op het perceel mag aan­wenden. Deze zal in principe gewogen en bemonsterd moet worden, tenzij een vrijstelling van toepassing is (boer-boer-transport of Vogelaarvariant). Let wel op eventuele fiscale consequenties.

Een andere reden dat de verhuurder de grond zelf wil opgeven kan zijn dat de verhuurder de grond pacht. Voor ‘onderverpachting’ is toestemming nodig voor de verpachter, omdat men anders beticht kan worden van wanprestatie. Maar ook hier is de feitelijke situatie van belang. Wanneer er feitelijk sprake is van onderver­pachting, kan de verpachter ontbinding van de pacht­overeenkomst vorderen.